Waarneming en doelopsporing bij de veldartillerie
Sinds de Eerste Wereldoorlog is een eenheid artillerie in principe opgebouwd uit drie elementen. Ten eerste zijn er de voorwaartse waarnemers, die ver verwijderd van de vuurmonden de te bestoken doelen waarnemen en de positie ervan bepalen. Ten tweede is er het vuurregelingscentrum (VRC), waar met behulp van de gegevens die de waarnemer doorgeeft de schietgegevens voor de vuurmonden worden bepaald. Tot slot zijn er de vuurmonden zelf, die met de door het VRC berekende schietgegevens vuur uitbrengen om het waargenomen doel te bestrijden. Het gehele proces dat uiteindelijk leidt tot het daadwerkelijk en effectief uitbrengen van artillerievuur begint met de waarneming van mogelijke doelen. Deze pagina besteedt aandacht aan de waarneming en doelopsporing bij de Nederlandse veldartillerie.
|
|
Van waarneming tot uitwerkingsvuur |
Vereenvoudigd komt het gehele proces van doeldetectie tot het daadwerkelijk beschieten van een doel op het volgende neer. De voorwaartse waarnemers nemen een positie in van waaruit ze (mogelijke) doelen op een veilige afstand goed kunnen observeren. Ze vormen als het ware 'de ogen' van de artillerie-eenheid. Vaak op kilometers afstand van de plek waar de vuurmonden in stelling (komen te) staan. In vroeger tijden waren een verrekijker, een kompas en stafkaarten de belangrijkste hulpmiddelen bij de bepaling van de coördinaten van een doel, later kwamen daar een
laserafstandsmeter, laservolgunit en GPS bij. Als de positie van het te bestoken doel is bepaald, vraagt de waarnemer vuur aan bij het
VRC. In het VRC wordt de vuuraanvraag van de waarnemer verwerkt tot een vuurcommando voor de vuurmonden. Meer informatie over het VRC en de wijze waarop de schietgegevens voor de vuurmonden worden bepaald, is te vinden op de pagina over
vuurregeling. Op basis van het vuurcommando worden in de stukken de gevraagde projectielsoort en hoeveelheid voortdrijvende lading aangebracht en wordt de schietbuis ingesteld. Vervolgens wordt er gevuurd.
Er zijn echter allerlei factoren die ervoor kunnen zorgen dat het vuur het doel (net)
niet treft. Zo kunnen bijvoorbeeld weersinvloeden of afwijkingen in de munitie ervoor zorgen dat de granaten niet op het doel vallen. Daarom wordt er vaak gekozen om eerst één vuurmond op basis van de berekende gegevens een serie schoten af te laten geven. De waarnemers kunnen dan zien waar deze terechtkomen en correcties aan het VRC doorgeven, dat op haar beurt gecorrigeerde schietgegevens berekent voor de stukken. Dit proces, het zogenaamde inschieten, gaat net zo lang door totdat het raak is, waarna de volledige eenheid in haar geheel een zogenaamd uitwerkingsvuur uitbrengt.
|
|
Waarneming vanaf de grond |
Het werk van de voorwaartse waarnemers is van oudsher een riskante job. De waarnemers bevinden zich relatief dicht bij de beoogde doelen en de vijand is zich er van bewust dat ze ‘de ogen’ van de artillerie-eenheden vormen. In een oorlogssituatie zijn waarnemers dan ook gewilde doelen voor de vijand. Bovendien werd er met name in het verleden regelmatig gebruik gemaakt van vaste waarnemingsposten, die als belangrijk nadeel hadden dat ze wellicht ook bij de vijand precies bekend waren. Voordelen waren er ook: de posities van deze posten
waren vooraf goed ingemeten, hetgeen vooral bij inschieten van pas kon komen. Het inmeten van de inslagen geschiedde dan vanuit twee vaste waarnemingsposten, hetgeen de kwaliteit van de metingen ten goede kwam. Tegenwoordig is het belang van vaste, vooraf ingemeten waarnemingsposten een stuk
kleiner. De bepaling van de eigen positie is eenvoudig uit te voeren
m.b.v. een GPS (Global Positioning System, positiebepaling via satelliet).
Sinds 1979 is het pantserrupsvoertuig YPR-765 (in de verkenningsuitvoering) het standaard vervoermiddel van
voorwaartse waarnemers. De YPR-765 wordt de komende jaren uitgefaseerd bij de Koninklijke Landmacht.
Zoals gezegd waren in vroeger tijden een verrekijker, kompas en stafkaart de belangrijkste hulpmiddelen van de waarnemer, later uitgebreid met apparatuur zoals een
laserafstandsmeter, laservolgunit en GPS. Van oudsher zijn er echter ook andere manieren om vijandelijke doelen te lokaliseren. Zo kende het Nederlandse leger reeds
voor de Tweede Wereldoorlog de zogenaamde Artillerie Meet Compagnie. Deze eenheid was gespecialiseerd in het inmeten van vijandelijke artillerie door middel van geluid of licht. Bij
geluidsmetingen werd geprobeerd de richting en de plaats te bepalen op basis van het geluid van vurende vijandelijke vuurmonden. Echt precisiewerk was dit niet, nog afgezien van de problemen die er waren om de in te meten geluiden te isoleren van overig geluid. Bij lichtmeting werd geprobeerd de locatie van de vijandelijke artillerie in te meten aan de hand van de
mondingsvlam. Ook dit was niet erg precies. Het lokaliseren van mortieren was
nagenoeg onmogelijk vanwege de geringe mondingsvlam en -knal.
Na
de Tweede Wereldoorlog bleef de
doelopsporingscapaciteit een continu probleem,
ook al werden de technische
mogelijkheden steeds groter. Zo werd in 1953 de mortieropsporingsradar AN/MPQ-110A
ingevoerd, die behoorlijk effectief was in het lokaliseren van
mortieropstellingen en ook in veel gevallen artillerie kon lokaliseren. De
reikwijdte van deze moderne doelopsporingsapparatuur bleef echter achter op de steeds langere dracht van de vuurmonden,
waardoor het geschut niet maximaal kon worden
benut. Het gebrek aan afdoende middelen om ver voorbij het front snel en
nauwkeurig doelen op te sporen, bleef in de navolgende decennia een probleem,
tot op de dag van vandaag.
De huidige 101e Artillerie Ondersteuningsbatterij kan worden gezien als het actuele equivalent van de vroegere Artillerie Meet Compagnie. Doelopsporing middels licht- en geluidsmeting behoren inmiddels tot het (verre) verleden. De 101e Artillerie Ondersteuningsbatterij werkt tegenwoordig uitsluitend met radars voor de detectie van vijandelijke granaten, mortieren en raketten.
|
|
Waarneming vanuit de lucht |
Naast de 101e Artillerie Ondersteuningsbatterij kent de huidige artillerie nog een onderdeel dat zich met doelopsporing bezighoudt: de 101e Remote Piloted Vehicle Batterij. Deze batterij beschikt over Remote Piloted Vehicles
(RPV’s). Een RPV is een op afstand bestuurbaar, onbemand vliegtuigje dat is voorzien van een hypermoderne camera, die beelden naar een
grondstation verzend. Daar analyseert iemand de beelden. Door de cursor op een doel te plaatsen, kunnen de coördinaten ervan worden bepaald. Deze doelinformatie kan dan worden
gebruikt door een artillerie-eenheid.
De historie van de 101e Remote Piloted Vehicle
Batterij begint op 1 maart 1998,
als de 101 RPV Compagnie wordt opgericht. Eind 1999 werd het onderdeel ingedeeld
bij de veldartillerie en kreeg het zijn huidige naam. De RPV's hadden al in 1998 operationeel moeten
zijn, maar dat wilde niet erg lukken. De
aanschaf van een RPV, die de Sperwer werd gedoopt en afkomstig was van de Franse firma
Sagem, leek aanvankelijk een miskleun. De door de landmacht gewenste
aanpassingen verliepen moeizaam en diverse testvluchten mislukten. De
problemen bleken echter op te lossen en nu functioneren de Sperwers naar tevredenheid.
In 2007 werd de Sperwer ingezet in Uruzgan, Afghanistan. De Nederlandse troepen aldaar (als onderdeel van de Task Force Uruzgan) kregen met de Sperwer een goed middel om inlichtingen te vergaren ter ondersteuning van de grondtroepen.
Waarneming vanuit de lucht is overigens een verre van nieuwe wijze van waarnemen. Vliegtuigen doen dit al decennia. Op de foto hiernaast is te zien hoe Britse artilleriewaarnemers tijdens de Eerste Wereldoorlog een zeppelinachtige ballon gebruikten om vanuit de lucht te observeren. In die tijd was dat een vaker voorkomende wijze van waarneming. Ook aan de zijde van de Duitsers werden dergelijke ballonnen door waarnemers gebruikt.
|
|
Heden & toekomst |
Zoals reeds genoemd is doelopsporing sinds jaar en dag een probleem, met name de opsporing van doelen op grotere afstanden. Ook nu is dit nog het geval. De veldartillerie beschikt weliswaar over de mortieropsporingsradars AN/TPQ-36, die nog in het voormalige Joegoslavië met succes zijn ingezet (zie foto hierboven), maar deze apparaten zijn inmiddels verouderd.
In
1984 werd reeds gestart met een project om het probleem van doelopsporing in de
diepte op te lossen. Zoals het projecten bij de landmacht betaamt, zat hier
echter weinig schot in. De behoeften veranderden regelmatig en daarmee de doelen
van het project. In 1999 kwam men op een totale behoeftestelling van negen medium-range doelopsporingsradars en besloot men dat een doeltreffende bestrijding van grondwapensystemen zich tot het brigadeniveau
moest beperken. Realisatie van één en ander heeft echter nog niet
plaatsgevonden. Daarnaast werd er gestreefd naar waarneming waarbij de voertuigen van
de waarnemers beschikken over een geïntegreerd geheel van optische instrumenten, dat
is gekoppeld aan plaats- en richtingbepalende apparatuur. Dit alles om ervoor te
zorgen dat de waarnemer snel, nauwkeurig en onder pantser doelen kunnen lokaliseren, waarna met behulp van
het vuursteuninformatiesysteem kan worden overgegaan tot de bestrijding van deze doelen. Na
jaren van ontwikkeling werd de beoogde waarnemingsopbouw bereikt, bestaande uit een centrale computer, warmtebeeld- en daglichtcamera's, een laserafstandsmeter, GPS-apparatuur en beeldschermen voor de presentatie van de beelden. Eén
en ander is geplaatst in een nieuw type wielvoertuig, de Fennek.
De Fennek is een verkennings- en
bewakingsvoertuig, dat samen met Duitsland is ontwikkeld. Het is een 2x4
voertuig met de mogelijkheid om bij te schakelen naar 4x4 voor in het terrein.
De bewapening bestaat uit een .50 machinegeweer en 40 mm automatische
granaatwerpers. De instroom van Fenneks bij de in de Koninklijke Landmacht is in
2005 gestart. De instroom van de Fennek-VWWRN, een versie specifiek voor
voorwaartse waarnemers bij de artillerie, startte in maart 2007, toen de
waarnemers van de 14e Afdeling Veldartillerie werden uitgerust met het nieuwe
voertuig. Veel later had deze instroom niet moeten starten, want de oude YPR 765's
hadden al jaren daarvoor het einde van hun
technische en operationele levensduur bereikt en waren nog nauwelijks inzetbaar.
De invoering van de Fennek laat onverlet dat er behoefte blijft aan betere doelopsporingsradars. Tevens is er behoefte aan gevechtveldbewakingsradars. Deze speuren niet alleen naar bewegende doelen, maar verschaffen ook een totaalbeeld van wat er zich in de diepte van het vijandelijke gebied afspeelt.