Artillerieopleidingen
(tot eind 19e eeuw)
Deze pagina gaat in op de geschiedenis van de opleidingen bij de artillerie
vanaf de invoering van vuurgeschut in Nederland, omstreeks 1350, tot het einde
van de 19e eeuw. De geschiedenis tot heden volgt nog.
|
|
14e tot en met 17e eeuw |
Na de entree van vuurgeschut in
Nederland, omstreeks het midden van de 14de eeuw, was er nog lange tijd geen
sprake van een georganiseerd en gestructureerd wapen, laat staan van
gestructureerde opleiding voor artilleriepersoneel. Onder het bewind van Karel V
(1515-1555) werden weliswaar belangrijke verbeteringen bij de artillerie doorgevoerd, waaronder
een standaardisatie van het geschut en een instructie voor het personeel van de
artillerie, maar er bestonden onveranderd geen artillerieopleidingen. En ook
Prins Maurits van Nassau (1567-1635) voerde een aantal verbeteringen door, zoals een toetsing van de kennis en kunde van in dienst tredende kanonniers
en konstabelen (stuksmeesters), maar het vergaren van die kennis en kunde bleef
een ongeorganiseerd gebeuren. Kennis en ervaring gingen over van vader op zoon, van ervaren 'schuttebroeder' op jonge leerling.
De oprichting van het Wapen der
Artillerie op 11 januari 1677 bracht op veel vlakken verbetering; qua opleiding
veranderde er echter niets. In de navolgende decennia werd dan ook geregeld
geconstateerd dat de deskundigheid en vakkennis bij een deel van het personeel
en de (onder)officieren tekort schoten. Dit leidde er herhaaldelijk toe dat werd
geopperd om een artillerieschool op te richten, om zo de kennis en kunde op
gestructureerde en uniforme wijze op het gewenste niveau te krijgen. Eén
van de pleitbezorgers van de oprichting van een artillerieschool was kolonel
Sebastiaan van Glabbeecq, Chef der Artillerie.
Tijdens een inspectiereis in 1735
constateerde ook hij dat de kennis bij een deel van de (onder)officieren ver
onder de maat was. De Raad van
State gaf echter geen gehoor aan Glabbeecqs
pleidooi en beperkte zich tot de invoering van examens voor onderluitenants.
Officieren
hadden beperkte mogelijkheden om hun kennis te vergaren en te verrijken. Zelfstudie
en kennisoverdracht van ervaren officieren waren de belangrijkste manieren. Het ontbreken
van geregeld onderwijs was voor sommige officieren aanleiding om zelf
opgedane kennis op te schrijven, soms voorzien van zelfgemaakte illustraties.
Wetenschap en kunst waren relatief populair onder artilleristen,
hetgeen het niveau van de documenten ten goede kwam.
Handschriften uit het
einde van de 17e eeuw en de eerste helft van de 18e eeuw laten zien dat sommige
officieren zeer vaardig konden schrijven en tekenen. Dergelijke documenten werden
voornamelijk gebruikt voor de eigen
onderwijsdoeleinden. Officiële publicaties kwamen ook voor. Eén
van de eerste gepubliceerde werken was 'Beschrijvinghe van de Artillerije'
van kapitein Trolis Nielson Brinck uit 1681. Brinck was een Deense
artillerist, die bij de oprichting van het Wapen der
Artillerie in 1677 was aangesteld als commandant van één van de compagnieën.
Zijn boek bevatte naar eigen zeggen de 'beginselen en fondamenten' van de
artillerie en was 'seer dienstig voor alle leerlingen ende jonge practisijns'.
Brinck ging er daarmee aan voorbij dat met name de leerlingen in de lagere
rangen meestal niet konden lezen. Het boek was dan ook vooral van waarde voor
konstabelen en (onder)officieren, die wel konden lezen. Het werk verscheen later
ook in Duitse (1699) en Russische (1710) versies.
Met name ten gevolge van analfabetisme kwam zelfstudie onder de lagere rangen weinig voor. Men leerde al doende, afhankelijk van de rang en functie onder begeleiding van een ervaren kanonnier, konstabel of (onder)officier. Dit alles binnen de compagnie. Vermeldenswaardige uitzondering hierop was de cursus 'gezwindschieten' (snelvuur), die eind 17e eeuw werd gegeven. In 1689 had de voormalige Deense artilleriekapitein Johan Seeger een geheim wapen aan de Staten Generaal aangeboden: een manier om heel snel vuur uit te kunnen brengen. Het betrof hier waarschijnlijk kogels met daaraan bevestigde kruitzakken, die in één keer geladen konden worden. Zo werd het gebruik van de laadlepel en prop overbodig en kon er 'gezwind' worden geschoten. Na succesvolle proefnemingen zworen tien konstabelen geheimhouding om vervolgens opgeleid te worden in het afvuren van 'gezwinde schoten'. Daarmee was de cursus de eerste centrale artillerieopleiding. De overige konstabelen werden bij de compagnieën in de vestingen opgeleid. Het 'gezwindschieten' werd een specialiteit van de 'veldartillerije van den Staat'.
|
|
Particuliere initiatieven |
Tot eind 18e eeuw bleef de
opleiding van artillerieofficieren en -personeel een veelal decentraal, ongestructureerd en ad
hoc gebeuren. De initiatieven tot scholen kwamen
allemaal uit particuliere hoek. Zo opende William Erskine in 1948 de
‘Wiskundig en Militair Kweekschool’ aan het Binnenhof in Den Haag. De
opleiding richtte zich vooral op de
officieren
van de artillerie en de genie. Voor het militaire gedeelte werd Erskine
bijgestaan door militair ingenieur
Charles Nicolas Chardon. Drie keer per week waren er lessen in de natuurwetenschappen en werd er
aandacht besteed aan vaardigheden als kaarten maken en vestingen tekenen. Bij gebrek aan leerlingen werd de
school al na een jaar gesloten.
Een opvallend initiatief kwam van
Maria Duyst van Voorhout, een adellijke dame die bekend stond als de Vrijvrouwe
van Renswoude. Na haar overlijden in 1754 liet zij 1,5 miljoen gulden na aan
drie weeshuizen, met het verzoek het geld in stichtingen (‘fundaties’) onder
te brengen en aan te wenden voor het opleiden van talentvolle jongens in met
name de technische vakken.
Deze ‘Fundaties van Renswoude’ waren gevestigd in
Den Haag, Delft en Utrecht en leidden onder andere op tot posities bij de
artillerie. Het belang van de Fundaties nam af
toen het geregelde, systematisch
onderwijs in de technische vakken toenam.
In de tweede helft van de 18e eeuw kwam er initiatief uit militaire hoek, zij het nog steeds op particuliere basis. Luitenant-kolonel Guichenon de Chastillon vestigde in 1773 de ‘Militaire School’ in Den Bosch. Alhoewel niet louter bedoeld voor de opleiding van artilleristen, had de school een hoog artilleristisch gehalte. Dit kwam mede door twee jonge talentvolle artillerieofficieren, die op de school doceerden. De luitenants Ulrich Huguenin (1755-1833) en Johan Hendrik Voet (1758-1832) zouden het later beide tot generaal schoppen. Voet, die wis- en natuurkunde had gestudeerd voordat hij bij de artillerie in dienst trad, zou tevens een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van het militaire onderwijs voor de technische wapens (artillerie en genie). De ‘Militaire School‘ verhuisde in 1780 naar Grave, maar zou geen lang leven beschoren zijn. Wat al zo vaak was geopperd, gebeurde uiteindelijk in 1879: de oprichting van artilleriescholen. De Chastillon's school werd daarmee overbodig.
|
|
De eerste artilleriescholen & de Franse overheersing |
De oprichting van
de eerste artilleriescholen was een verdienste van kolonel Bartholomé Eduard Paravicini di Capelli. Deze officier
kreeg rond 1785 de directie over het Wapen der Artillerie. Hij kende
zijn vakgebied, was goed op de hoogte van buitenlandse ontwikkelingen en zorgde
ervoor dat de artillerie op diverse vlakken belangrijke vorderingen maakte.
Tevens slaagde hij erin goedkeuring van de Staten Generaal te verkrijgen voor de lang gekoesterde wens om artilleriescholen op te richten.
In 1789
startten de opleidingen aan de artilleriescholen te Breda, Zutphen en Den Haag. Ulrich Huguenin werd directeur van
de school in Breda, Johan Hendrik
Voet kreeg de school in
Zutphen onder zijn hoede. De (vastgelegde) leerstof omvatte onder andere algebra, meetkunde,
werktuigkunde en vestingbouwkunde. De stof werd aangevuld met praktijkoefening
in het terrein en verdeeld over zes halfjaarlijkse periodes, die ieder werden
afgesloten met een examen. Het laatste examen was tevens het eindexamen. Voor
bombardiers (onderofficieren) zat de opleiding er dan op; aspirant-officieren
moesten nog een aanvullend examen doen ten overstaan van leden der Raad van State en de Bevelhebber der
Artillerie om tot officier benoemd te kunnen worden. De bestaande populatie
artillerieofficieren moest er ook aan geloven: ze werden verplicht de lessen te
volgen, voorzover hun werkzaamheden dat toelieten. Van
titulaire officieren werd verwacht dat ze examen deden.
In 1793 verklaarde Frankrijk de
oorlog aan de Republiek der Verenigde Nederlanden. De drie
artilleriescholen verdwenen stuk voor stuk. In 1795 grepen de Fransen de
macht in de Republiek, het begin van bijna twee
decennia Franse overheersing. In
tegenstelling tot hun voorgangers, zagen de
nieuwe machthebbers onderwijs als een taak van de nationale overheid. De
artilleriescholen werden in 1795 dan ook snel weer opgericht. De
school in Zutphen werd weer door Voet geleid en stak qua niveau boven de andere
scholen uit. Ten
opzichte van de oude scholen, werd de opleiding met een jaar verlengd.
Verder konden nu ook cadetten van de infanterie en cavalerie (en later ook de
genie) een opleiding volgen. Van officieren werd onveranderd verwacht dat ze de
lessen volgden, mits hun
werkzaamheden dat toelieten. De opleiding had het niveau van een algemene
basisopleiding; afgestudeerden moesten zich middels zelfstudie verder
ontwikkelen. De lagere rangen werden nog steeds opgeleid bij de compagnieën,
terwijl de paardrijkunst bij de Rijdende Artillerie werd onderwezen.
De
eerste twee jaren van de opleiding werden vooral gevuld met wiskunde. Het derde
en vierde jaar was ingeruimd voor meer praktijkgericht onderwijs. Reeds in die
jaren was er discussie of er niet te veel nadruk op wiskunde werd gelegd.
Deze discussie zou later nog een aantal keer oplaaien, net als de discussie of
internering van de leerlingen niet beter zou zijn. Tot slot was er de
discussie over de kosten. De opleidingen waren gratis en het succes van de
scholen dreef de kosten op. De vraag rees of één school niet goedkoper zou
zijn. Toen eind 18e eeuw andere legeronderdelen eveneens examens voor officieren invoerden
en er toenemende behoefte ontstond aan opleidingen
voor onder andere de genie en waterstaat, besloot de legerleiding in 1805 de
artilleriescholen op te heffen en een algemene militaire school op te richten.
In
1806 werd de ‘Algemeene, Theoretische en Praktische School voor Genie,
Artillerie en Waterstaat’ opgericht, gevestigd te Amersfoort. Johan Hendrik
Voet, inmiddels luitenant-kolonel, had de
leiding over de school. De
opleidingen waren niet alleen toegankelijk voor (onder)officieren; ook
korporaals en getalenteerde kanonniers konden de lessen volgen. Datzelfde jaar riep
Napoleon het Koninkrijk Holland uit, waarvan zijn broer Lodewijk Napoleon koning werd. Lodewijk Napoleon
vaardigde direct allerlei decreten uit. Zo moest er een Koninklijke Militaire School
komen voor infanterie- en cavalerieofficieren,
naar Frans voorbeeld. De school, de
eerste officiële officiersopleiding voor infanterie en cavalerie, werd gevestigd in Honselersdijk. De koning wilde eigenlijk tot één grote, gecombineerde school á la de Ecole Polytechnique in Parijs komen, maar kwam niet
verder dan een fusie van de Koninklijke Militaire School in Honselersdijk
met
de Koninklijke
Artillerie- en Genieschool, zoals de school in Amersfoort inmiddels heette. Het
resultaat was de Koninklijke
Militaire School, die in 1809 in Den Haag werd gevestigd. Ook deze school zou niet
lang bestaan.
In 1810 werd het Koninkrijk Holland ingelijfd bij het Franse Rijk en werden de legeronderdelen ondergebracht bij het Franse keizerlijke leger. De Nederlandse opleidingen verdwenen. De cadetten van de Koninklijke Militaire School in Den Haag moesten hun opleiding in Frankrijk voortzetten, wat de meeste cadetten niet deden. Johan Hendrik Voet werd aangesteld als commandant van de artillerieschool te Douai, maar gaf er snel de brui aan. Voet werd op eigen verzoek op pensioen gesteld.
|
|
De Artillerie- en Genieschool te Delft |
In 1814
werden de Franse bezettingstroepen door de
geallieerden verdreven en werd het zelfstandige Koninkrijk der Nederlanden
gesticht. De soeverein vorst Willem
Frederik besloot vrijwel direct tot
de oprichting van een Artillerie- en Genieschool. De oprichting van de school was
mede op voorstel van Johan Hendrik Voet, die weer in actieve dienst trad en directeur van de
school werd. Voet had vestiging in Amersfoort voorgesteld, maar Willem Frederik prefereerde
om onduidelijke redenen vestiging in Delft, een stad die juist minder geschikt
was voor een militaire school. De school betrok de Oude Delft nr. 95, het
leegstaande Delftse fundatiehuis van de Vrouwe van Renswoude. 100 cadetten, ingekwartierd bij de Delftse burgers, startten in
1814 met een opleiding die erg leek op die op de oude artilleriescholen. De
leerstof was grotendeels hetzelfde, alhoewel er meer aandacht werd besteed aan de
berekening van kogelbanen en alles wat daarbij kwam kijken. Ook nu konden
cadetten van de infanterie en de cavalerie een opleiding aan de school volgen. De toevoeging van
een rijopleiding was nieuw. De school kende een onverwacht grote toestroom
van leerlingen. Aanvankelijk werd er zonder toelatingsexamen
gewerkt, maar aangezien dat de nodige problemen opleverde, werd dat in 1817
veranderd.
Door de snelle oprichting van de
school ontbrak aanvankelijk een duidelijk studieplan. Net als op de oude scholen was er veel ruimte ingeruimd voor wiskundeonderwijs. Te veel naar de
zin van Voet, inmiddels
luitenant-generaal titulair, die zocht naar de
juiste balans tussen theorie en praktijkoefeningen. Hij werd
daarin tegengewerkt door één van zijn docenten, hoogleraar in de
wiskunde Jacob de Gelder (1765-1848),
die simpelweg weigerde de wiskundelessen te versimpelen en te verminderen. Er
volgde een conflict, waarin de Gelder zich in een brief rechtstreeks bij de koning beklaagde
over Voet en diens visie. De Gelder bekritiseerde niet alleen het studieplan en de inhoud van de opleidingen,
maar pleitte ook voor internering van de studenten. In militaire kringen waren sowieso
veel voorstanders van internering, maar daarvoor ontbrak de ruimte in Delft.
Naar aanleiding van het conflict werd een commissie in het
leven geroepen, die het militaire onderwijs onder de loep moest nemen. Deze
commissie stelde in 1923 voor om de Koninklijke Militaire Academie (KMA) op te richten
voor de opleiding van de officieren van alle wapens en dienstvakken.
Voorgestelde locatie was het voormalige paleis van de Oranjes te Breda, waar
voldoende ruimte was voor internering. Het
voorstel werd pas in 1926 in een Koninklijk Besluit overgenomen. Na een grondige
verbouwing opende de KMA in het najaar van
1928 haar deuren. De
opleiding aan de KMA
valt verder buiten het bestek van deze pagina en website.
De Artillerie- en Genieschool te Delft had reeds eerder dat jaar haar deuren gesloten. Johan Hendrik Voet zette de navolgende drie jaar zijn carrière voort als voorzitter van de examencommissie voor aspirant-cadetten. In 1932 overleed hij op 64-jarige leeftijd, aan groot stempel achterlatend op het militaire onderwijs in Nederland.
|
|
Structuur in de opleidingen voor onderofficieren en korporaals |
Na de Franse overheersing werd er meer aandacht besteed aan de opleiding van lagere rangen. Onderofficieren, korporaals en kanonniers werden aanvankelijk nog steeds bij hun compagnie opgeleid, maar in 1818 voerde de legerleiding een belangrijke verandering door. Bij alle korpsen van het leger werd per regiment een schoolcompagnie opgericht. Zo ook bij de artillerie. De opleiding aldaar verschilde in wezen weinig met wat voorheen gebruikelijk was. Adjudanten en adjudant-onderofficieren instrueerden de bekwamere, meer ervaren onderofficieren, die op hun beurt minder ervaren (aspirant-)onderofficieren onderwezen, alsmede (aspirant-)korporaals en manschappen waarvan verwacht werd dat ze het tot onderofficier zouden schoppen. Voor benoeming tot korporaal of onderofficier moest er examen worden gedaan in lezen, schrijven, rekenen en werd de kennis getoetst van de exercitie- en dienstreglementen. Opleiding in deze zaken was dan ook het hoofdbestanddeel van het curriculum van de schoolcompagnieën.
Met de oprichting van de KMA in
1828 was het officiersonderwijs goed geregeld, maar de KMA leverde onvoldoende officieren om in de behoeften te voorzien. De nood werd geledigd door onderofficieren de mogelijkheid te bieden om officierexamen te doen. Onder
supervisie van de korpsstaf werden kandidaten in de wintermaanden bij de
bataljons onderwezen in de te examineren vakken. Het hele gebeuren was een zaak van de
korpscommandant. Hij bepaalde welke onderofficieren deze lessen mochten volgen en stelde de inhoud van de lessen en de examens vast.
Van regulering of controle van bovenaf was geen sprake. De
examens vonden jaarlijks plaats en stelden niet al te veel voor. Het gedrag en
functioneren van de officier vond men belangrijker dan diepgaande (theoretische)
kennis. Deze gang van zaken gold bij diverse korpsen van het leger en leverde
vooral bij de infanterie en cavalerie de nodige problemen op. Dit leidde er in
de jaren '50 toe dat het Ministerie van Oorlog zich met de officiersopleidingen
en -examens ging bemoeien. Echter niet zozeer met de officiersopleidingen bij de
artillerie, want daar was reeds in 1841 te Delft een gecentraliseerde
officiersopleiding voor onderofficieren opgezet, die van behoorlijk niveau was.
Alvorens aan deze zogenaamde 'Hoofdcursus' deel te kunnen nemen, kon er een voorbereidende
cursus in Utrecht worden gevolgd. In 1862 werden de cursussen samengevoegd en
ontstond de 'Wetenschappelijke Cursus der Artillerie', die bij het 1e Regiment
Vestingartillerie in Delft werd ondergebracht. In 1884 werd de opleiding
omgedoopt in kortweg 'Artilleriecursus' en werd voor toelating een diploma
vereist van de Hogere Burgerschool (HBS), een in 1863 ingevoerd soort middelbaar
(burger)onderwijs van behoorlijk hoog niveau. De Artilleriecursus zou tot 1897 blijven
bestaan.
Ingegeven
door de goede ervaringen met het Instructiebataljon bij de Infanterie voor de
opleiding van kader, werd in 1862 de Artillerie Instructiecompagnie (AIC) te
Schoonhoven opgericht. De AIC voorzag in de opleiding van jonge vrijwilligers,
die korporaal of onderofficier wilden worden. Er werd onderwezen in onder andere
lezen, schrijven, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, exercitie en compagniesadministratie.
Al in het eerste jaar was er een grote toestroom van leerlingen, hetgeen in de
navolgende jaren zo zou blijven. Ook meldden zich bij de AIC leerlingen aan, die
niet aan de toelatingseisen van de (dure) KMA konden of wilden voldoen, maar
toch officier wilden worden. Via de AIC en de Artilleriecursus kon dat alsnog.
Deze route werd in 1877 afgesneden, toen geen leerlingen meer aangenomen mochten
worden die direct naar de Artilleriecursus wilden doorstromen. In 1881 werd aan
de opleiding in Schoonhoven een
Instructiebatterij toegevoegd, die zich richtte op opleiding van kader voor de
bereden artillerie. De AIC beperkte zich voortaan tot de opleidingen ten behoeve
van de onbereden artillerie en werd omgedoopt in 'Instructiecompagnie'. De
Instructiecompagnie en de Instructiebatterij zouden tot 1922 blijven bestaan.