Het geschut van de Nederlandse veldartillerie
Deze pagina gaat in op het geschut van de Nederlandse veldartillerie. Er wordt aandacht besteed aan de verschillende soorten en typen artilleriegeschut; tevens wordt een overzicht gegeven van in Nederland gebruikt artilleriegeschut door de eeuwen heen.
Door de eeuwen heen heeft men eigenaardige benamingen gehanteerd voor het geschut. Zo was een 'kanon van 30 cm' géén kanon dat 30 cm lang was en was een '25-ponder' géén geschut dat 25 pond woog (beide zou natuurlijk ook niet mogelijk zijn); het betrof hier achtereenvolgens een kanon met een kaliber van 30 cm en een geschut dat projectielen van 25 pond af kon vuren. Minder onlogisch, maar nog steeds enigszins cryptisch, waren benamingen als de '7-veld' voor een veldgeschut met een kaliber van (ruim) 7 cm en '12 hw L14' of '12 lang 14' voor een houwitser met een kaliber van 12 cm en een loop met een lengte van 14 maal het kaliber.
|
|
Houwitsers en kanonnen |
Tot in de 17e eeuw was er maar
één soort geschut: het kanon. Met de komst van de houwitser veranderde dat. Er
zijn bronnen die vermelden dat de houwitser een Nederlandse uitvinding is, maar
dit valt niet met zekerheid te stellen. In ieder geval is het zo dat medio 17e
eeuw proeven te Scheveningen werden gedaan met een geschut dat omschreven werd
als een 'Canon genaamd houwitser om daaruit granaten te werpen'. Niet lang
daarna werd dit nieuwe geschut bij de Nederlandse artillerie ingevoerd. De
houwitser was het eerste geschut dat granaten (met explosieven gevulde omhulsels)
kon afvuren, meestal in een relatief kromme boog, waartoe de houwitsers waren uitgerust met
een relatief korte loop. Kanonnen daarentegen vuurden in die tijd massieve
kogels af, in een rechte lijn op het doel, waartoe de kanonnen waren uitgerust
met een relatief lange loop. Aanvankelijk was het onderscheid
tussen een houwitser en een kanon dan ook simpel: een houwitser vuurde granaten af
en een kanon massieve kogels. Dat verschil viel echter weg toen ieder geschut granaten af
kon vuren. Voordat dit onderscheid wegviel, hadden de baan van een projectiel en
de soort munitie echter alles met elkaar te maken: een granaat 'legde' men bij
voorkeur via een boog in één keer op het doel, terwijl men kanonskogels in een
rechte lijn op het doel afvuurde en graag door de vijandelijke linies zag
'stuiteren'. Het was dan ook logisch dat in de 19e eeuw het onderscheid werd dat kanonnen direct vuur gaven en houwitsers indirect
vuurden, ongeacht de soort munitie. Oftewel: tussen 0°
(horizontaal) en 45° was het een kanon en van 45° tot 75° een houwitser. Vanaf 75° betrof het een mortier.
Vanwege de relatie tussen de lengte van de loop en de projectielbaan, raakte eind 19e eeuw
het criterium in zwang van de lengte van de loop uitgedrukt in het aantal keer het kaliber: onder de 20
was het een
houwitser, daarboven een kanon. Ook dit criterium werd echter steeds minder
gehanteerd. De gewoonte om indirect
vurend geschut (het zogenaamde krombaangeschut) als houwitsers te bestempelen en
direct vurend geschut (het zogenaamde vlakbaangeschut) als kanonnen, bleef
echter bestaan. Tot op de dag van vandaag.
Het woord 'houwitser' is afgeleid van het Duitse 'haubitze', hetgeen weer is afgeleid van het Tsjechische woord 'houfnice' ('katapult'), de uitdrukking voor een 15e eeuws geschut. Het woord 'kanon' is afgeleid van het Italiaanse 'cannone', hetgeen de vergrotende vorm is van het van oorsprong Latijnse woord 'canna' ('riet' of 'buis').
|
|
Getrokken geschut |
Niet alleen het onderscheid
tussen kanonnen en houwitsers roept soms verwarring op, in de artillerie wordt
van oudsher sowieso een wat onduidelijke terminologie gehanteerd. Een goed
voorbeeld daarvan is de kreet 'getrokken geschut'. Tot halverwege de 20e eeuw
was 'getrokken' de aanduiding voor een vuurmond met sleuven in de loop,
aangebracht in de lengterichting, enigszins getordeerd. Deze sleuven ('trekken')
zorgen ervoor dat een langwerpig projectiel tijdens zijn vlucht om zijn lengteas
roteert, hetgeen de stabiliteit en doelgerichtheid van het projectiel vergroot.
Geschut dat niet 'getrokken' was, noemde men 'glad'. In 1861 verscheen het
eerste getrokken geschut in Nederland. Toen in de jaren '50 ieder geschut trekken had, was er nog geen sprake van dat
ieder geschut gemechaniseerd was. Veel geschut moest voortbewogen worden door
trekkers of vrachtwagens en soms zelfs nog door paarden. De aanduiding
'getrokken geschut' duidt vanaf medio 20e eeuw dan ook op geschut dat zichzelf
niet voort kan bewegen.
|
|
Snelvuurgeschut |
In de historie van het geschut is 'snelvuurgeschut' eveneens een belangrijk begrip. Tot in de 20e eeuw had men te maken met de 'terugloop' van het geschut, de achterwaartse beweging van een vuurmond ten gevolge van de terugslag tijdens het vuren. De verplaatsing van het geschut zorgde ervoor dat na ieder schot opnieuw gericht moest worden, ook al deed men er alles aan om de terugloop te beperken middels wiggen, touwen en anderszins. Geschut zonder terugloop werd snelvuurgeschut genoemd, omdat het het mogelijk maakte om zonder opnieuw te richten herhaaldelijk op een zelfde doel te vuren, hetgeen de vuursnelheid uiteraard aanzienlijk verhoogde. In 1904 werd het snelvuurgeschut in Nederland geïntroduceerd. De loop van de vuurmond was voorzien van een soort slede aan de onderkant, die over een langwerpige stalen kast (de zogenaamde ‘wieg’) heen en weer kon bewegen. Met behulp van een reminrichting in de wieg werd de terugslag afgedempt en middels een vooruitbrenginrichting werd de loop automatisch over de wieg teruggeduwd in de oorspronkelijke stand. De vuurmond zelf kwam niet van zijn plek.
Hieronder een overzicht van kanonnen en houwitsers die door de jaren heen door de Nederlandse artillerie zijn gebruikt. Het overzicht pretendeert niet compleet te zijn, maar geeft wel een beeld van het schietend materieel van de artillerie vanaf halverwege de 19e eeuw. Vanuit het overzicht kan doorgeklikt worden naar de specifieke pagina's over het geschut.
|
|