Geschiedenis van de artillerie

Deze pagina bevat de geschiedenis van de artillerie, toegespitst op de Nederlandse artillerie.

  

In den beginne...

De oorsprong van artillerie ligt waarschijnlijk in het Midden Oosten, vele eeuwen voor Christus. Er zijn aanwijzingen dat in Mesopotamië en Phoenicië reeds machines werden gebruikt om projectielen mee weg te schieten, die de prestaties van handwapens ruimschoots overtroffen. Meer zekerheid is er over de werpmachines die door de Grieken en Romeinen werden gebruikt vanaf de vierde eeuw voor Christus. Ballista - Klik om te vergrotenHiervan bestaan beschrijvingen in de klassieke geschriften. Het woord ‘artillerie’ is vermoedelijk afgeleid van de Latijnse woorden 'Artis' (kunst) en 'Tollere' (werpen) en betekent dus iets van 'de kunst van het werpen'. Grofweg waren er bij de Grieken en Romeinen twee soorten werpgeschut te onderkennen, alhoewel er in de loop der eeuwen verschillende varianten van beide soorten zijn geweest.

Het ene type was een soort uit de kluiten gewassen handboog die horizontaal op een onderstel was geplaatst. Het leek op een grote versie van de latere kruisboog en werd gebruikt om pijlen en later ook grote stenen mee weg te schieten. De oorspronkelijke Griekse versie, die stamt uit het begin van de 4e eeuw voor Christus, ontleende zijn voortdrijvende kracht aan de veerkracht in de boogarmen en de boogpees, net als een gewone handboog. Bij een latere versie, bekend als de ballista, waren de boogarmen ieder aan het uiteinde gestoken in een streng van in elkaar gedraaide haren of darmen. Door met de boogpees de boogarmen naar achteren te trekken werden de strengen verder in elkaar gedraaid. Als de boogpees werd losgelaten, schoten de strengen weer terug in hun oorspronkelijke stand en leverden ze de voortdrijvende kracht voor het projectiel.

Onager - Klik om te vergrotenHet andere type werpgeschut werd gekenmerkt door een verticale balk met aan één van de uiteinden een slinger, waarin een steen kon worden geplaatst, terwijl het andere uiteinde als scharnierpunt fungeerde. Door de balk van verticale naar horizontale stand te trekken en vervolgens los te laten, werd het projectiel weggeworpen. Sommige versies van dit geschut waren voorzien van een grote horizontaal aangebrachte boog, die werd aangespannen als de balk in horizontale stand werd gebracht. De boog leverde de voortdrijvende kracht. Bij een latere versie, die door de Romeinen in de 3e eeuw na Christus werd ontwikkeld en onager ('wilde ezel') werd genoemd, ontbrak de boog. Bij de onager was het uiteinde van de verticale balk in een in elkaar gedraaide streng gestoken, welke verder in elkaar werd gedraaid als de balk in horizontale stand werd getrokken. Als de balk werd losgelaten, schoot de streng weer terug in de oorspronkelijke stand en leverde het de voortdrijvende kracht voor het projectiel. Overigens waren er ook versies van dit type geschut zonder slinger, maar met een lepelachtig uiteinde aan de balk, waarin de te verschieten projectielen konden worden geplaatst.

  

Blijdes & buskruit

Rond 1200 deed een nieuwe gevechtsmachine zijn intrede: de blijde, wellicht de bekendste werpmachine. De blijde leek enigszins op de onager in de zin dat het eveneens was voorzien van een verticale balk met een slinger of lepelachtig uiteinde. De voortdrijvende kracht werd nu echter ontleend aan het hefboomprincipe. De balk was voorzien van een as, die ver uit het midden was aangebracht. Aan het korte einde van de balk was een grote bak met stenen of zand bevestigd, die fungeerde als contragewicht. Door de balk aan het lange einde naar beneden te trekken en plotseling weer los te laten, kon het projectiel honderden meters worden weggeworpen. De blijde overtrof de prestaties van de oude spangeschutten ruimschoots.

Slingerblijde - Klik om te vergrotenTot het begin van de 14e eeuw waren werpmachines en spangeschutten de enige vorm van geschut in Europa. Vanaf die tijd deed het vuurgeschut zijn intrede, hetgeen mogelijk werd gemaakt door de toepassing van buskruit als aandrijfmiddel voor projectielen. Na de opkomst van het vuurgeschut bleef de blijde overigens nog lang gehandhaafd.

Het buskruit werd reeds in de 9e eeuw ontdekt door de Chinezen. Zij gebruikten het als aandrijfmiddel in primitieve kanonnen van bamboe en als springstof in granaatachtige projectielen, die met katapulten werden gelanceerd. Bovendien gebruikten de Chinezen buskruit in vuurpijlen, die op vijanden werden afgevuurd of de lucht in gingen bij feestelijkheden. Ook de Arabieren gebruikten buskruit voordat het in Europa bekend werd. Ze stopten het in een ijzeren buis om stenen mee af te vuren. De eerste aanraking van Europa met buskruit was tijdens de verovering van Hongarije door de Mongolen in 1241. De Mongolen gebruikten met buskruit gevulde projectielen, die ze met behulp van katapulten naar de Hongaren schoten. De Britse wetenschapper, alchemist en filosoof Roger Bacon onderzocht het explosieve goedje en publiceerde erover in 1249. Als geestelijke én vooraanstaand wetenschapper kon Bacon schrijven en had hij een netwerk om zaken te publiceren. Zijn publicatie betekende het begin van de opmars van het buskruit in Europa. Het duurde echter nog decennia voordat het enigszins succesvol kon worden aangewend als aandrijfmiddel voor het lanceren van projectielen. 

  

Het vuurgeschut maakt zijn entree

Oudste afbeelding van een kanon, 1326 - Klik om te vergrotenHet is niet precies bekend waar en wanneer er voor het eerst vuurgeschut werd gebruikt in Europa. Aannemelijk is dat het in Italië was, aan het begin van de 14e eeuw. De Italianen waren in Europa het verst gevorderd op het gebied van metaalkunde en produceerden vrijwel zeker de eerste kanonnen. Het geschut werd door klokkenmakers gegoten van brons of andere koperlegeringen en later ook van ijzer, hetgeen een stuk goedkoper was. De eerste afbeelding van een kanon stamt uit 1326. Ene Walter de Millimete beschreef vuurgeschut in zijn manuscript 'De Officiis Regum', dat hij schreef voor koning Edward III van Engeland. Het bevatte een afbeelding van een vaasachtig kanon, dat op een tafel was bevestigd, gereed om een pijl af te vuren. In het geschrift werd aan vuurgeschut gerefereerd met de term 'vaso', het Italiaanse woord voor vaas. Ook dit vormt een aanwijzing voor de Italiaanse oorsprong van vuurgeschut. 

Het eerste vuurgeschut was dus niet veel meer dan een stenen of metalen pot of vaas, waarmee zware pijlen, maar ook stenen kogels werden afgeschoten. Naast de aanduiding 'vaso' (vaas), stond het bekend als o.a. 'Krüge' (kruik) en 'pot-de-fer' (pot van ijzer). Het geschut had een klein bereik, was zeer inaccuraat en bovendien zeer gevaarlijk in het gebruik. Alhoewel de oudste afbeeldingen bevestiging van de pot op een tafelachtige constructie laten zien, is ook bekend dat het vaak simpelweg op de grond werd geplaatst en gestut. Later volgde bevestiging op houten blokken. De vorm van de vuurmonden werd geleidelijk langwerpiger, meer buisvormig, omdat men besefte dat dit de accuraatheid van het vuur ten goede kwam. Dit betekende wel dat men afstapte van het gieten van het geschut, omdat die techniek in die tijd nog niet dusdanig ontwikkeld was, dat fabricage van lang, buisvormig geschut van goede kwaliteit mogelijk was. De buisvorm bezorgde het geschut haar naam: kanon, een woord dat was afgeleid van het Latijnse 'canna', dat riet of buis betekent. De onderstellen van houten blokken maakten geleidelijk plaats voor onderstellen met raden. Het vervoer werd hierdoor gemakkelijker en de vernielende werking van de terugslag op het onderstel verminderde aanzienlijk . 

Kanon uit ca. 1350 (lengte ca. 30 cm, kaliber 37 mm) - Klik om te vergrotenIn Nederland werd voor de eerste maal vuurgeschut gebruikt omstreeks het midden van de 14de eeuw. De eerste ervaringen in Nederland met vuurmonden werden opgedaan tijdens de vele belegeringen van steden en kastelen tijdens de middeleeuwse partijtwisten en stadsoorlogen. Er zijn aanwijzingen dat de eerste kanonnen in Nederland (toen meestal ‘donderbussen' genoemd) soms van hout waren gemaakt, waarbij de loop was verstevigd met ijzeren hoepels om springen te voorkomen. Het eerste metalen geschut in Nederland was gemaakt van aan elkaar gesmede ijzeren staven, waar ijzeren ringen omheen waren geklonken. Het was loodzwaar. Omdat de loop aan beide zijden open was, werd er gebruik gemaakt van een zogenaamd kamerstuk, een soort kroes van ijzer, waarvan de monding paste in de achterzijde van de loop. Hier werd het kruit in gedaan en soms ook het projectiel, alhoewel dat meestal in de loop zelf werd geplaatst. Groot nadeel van deze constructie was dat het kamerstuk de loop niet perfect afsloot en er bij de ontbranding van het kruit gas ontsnapte, waardoor er minder gasdruk was om het projectiel mee weg te stuwen. Voordeel was dat men door het gereedhouden van een aantal kamerstukken de vuursnelheid flink op kon voeren.  

De metallurgie ontwikkelde zich ondertussen door en vanaf de tweede helft van de 15e eeuw maakten de gesmede ijzeren kanonnen plaats voor sterkere en lichtere gegoten kanonnen van brons, later gevolgd door gietijzeren exemplaren. Ook nu werden ze doorgaans gegoten door klokkengieters, die het gieten van kanonnen afwisselden met hun reguliere werk. Later ontstonden gespecialiseerde kanongieterijen. De kwaliteit van het in Nederland gegoten geschut bezorgde de Nederlandse kanongieterijen een uitstekende reputatie, waardoor de Nederlandse kanongieterijen lange tijd belangrijke leveranciers waren aan legers over de gehele wereld.  

Smeedijzeren achterlaadkanon, 2e helft 15e eeuw - Klik om te vergrotenHet gegoten geschut had aanzienlijke voordelen ten opzichte van het gesmede geschut. De loop was vele malen sterker en er was geen verlies meer van gasdruk, omdat loop, kruitkamer en achterstuk één geheel vormden. Hierdoor werd het mogelijk om zwaardere kogels af te vuren en deden loden kogels hun intrede; stenen kogels bleven echter ook in gebruik. Het laden was wel iets lastiger, want dit moest via de loop gebeuren. Met een lange lepel werd het buskruit in de kruitkamer geschept, waarna het werd aangestampt. Vervolgens werd een houten prop tegen het kruit geplaatst en werd de kogel de loop ingerold. De ontsteking geschiedde door een gloeiende staaf in de opening bovenin de kruitkamer te steken (het zogenaamde zundgat), dat vooraf was gevuld met licht ontvlambaar, fijn kruit.

Gedurende de 16e eeuw veranderde het geschut weinig. Wel waren er ontwikkelingen op het gebied van de munitie. Zo werd een met buskruit gevuld projectiel geïntroduceerd: de granaat. Meer info over de ontwikkeling van de munitie vind je op de pagina De munitie van de artillerie.

  

De artillerie gaat een grotere rol spelen

Tot in de 17e eeuw speelde de artillerie een geringe rol in de gevechtsactie, omdat het geschut te zwaar was om vlot verplaatst te worden. Zo waren voor de tractie van zwaardere stukken soms wel 30 paarden nodig. Dit betekende in de praktijk dat er alleen aan het begin van een veldslag werd gevuurd, meestal door een klein aantal kanonnen. Immers, zodra de strijd zich verplaatste was het geschut niet in staat om te volgen en was de rol van de artillerie uitgespeeld. 

Kanon - Klik om te vergrotenTot de introductie van de houwitser, halverwege de 17e eeuw, was het kanon het enige soort geschut dat men kende. Het werd gebruikt om kogels (meestal massieve) in een rechte lijn op het doel af te vuren, soms met de bedoeling de kogels door de vijandelijke linies te laten 'stuiteren'. De houwitser, volgens sommigen een Nederlandse uitvinding, vuurde daarentegen granaten af (met buskruit gevulde projectielen), bij voorkeur via een boog in één keer op het doel, waartoe de houwitsers waren uitgerust met een relatief korte loop. De houwitsers schiepen nieuwe mogelijkheden op het slagveld en samen met het feit dat kanonnen steeds mobieler werden, zorgde dit ervoor dat de artillerie langzaam een steeds belangrijkere rol ging spelen in de oorlogsvoering. Het relatief mobiele geschut, dat vooral gericht was op gebruik op het slagveld, begon zich steeds meer te onderscheiden van het overige geschut, waardoor zich een onderscheid aftekende tussen veld- en belegeringsgeschut.

  

Het Wapen der Artillerie wordt opgericht

Gedurende de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) had Prins Maurits de artillerie reeds gestandaardiseerd tot vier soorten vuurmonden: de 6-, 12-, 24- en 48-ponder, die hun naam dankten aan het gewicht van het projectiel dat ze af konden vuren. De toenemende rol van de artillerie op het slagveld betekende echter ook dat er anderszins behoefte kwam aan meer structuur en organisatie. Van goed georganiseerde artillerie-eenheden was namelijk tot na de Tachtigjarige Oorlog nog geen sprake in Nederland. Men werkte met ad hoc samengestelde eenheden, bemand door huurlingen. Omdat een dergelijke 'organisatie' uiteraard allerlei bezwaren met zich meebracht, deed Prins Willem III tijdens de Eerste Franse Oorlog (1672-1678) het voorstel om zes artilleriecompagnieën te formeren, met grotendeels vast personeel, waarmee de Staten-Generaal op 11 januari 1677 instemden. De artillerie werd hiermee een organiek legeronderdeel; het Wapen der Artillerie was een feit! De artillerie werd na de oprichting onderverdeeld in Vestingartillerie en Veldartillerie. De Vestingartillerie had een verdedigend en statisch karakter en maakte gebruik van geschut dat in vestingen was opgesteld; de Veldartillerie was meer offensief van aard en bedoeld voor het belegeren van vestingen, gebruik makend van geschut te velde. Echt mobiel en dynamisch was de Veldartillerie echter niet en het schoot in de loop der jaren steeds meer tekort bij het volgen van de infanterie en cavalerie in hun manoeuvres. Om dit op te lossen werd naar Pruisisch voorbeeld in 1793 de Rijdende Artillerie opgericht; een afsplitsing van de Veldartillerie die zich toelegde op grotere mobiliteit. De lichtere vuurmonden werden bij de Rijdende Artillerie ingedeeld en het korps kreeg eigen paarden en manschappen voor het vervoer van de stukken, hetgeen tot die tijd altijd het werk van aannemers was geweest. Zie ook de pagina over de Rijdende Artillerie.  

8cm voorlaadkanon uit 1860 - Klik om te vergrotenAlhoewel er in de eeuwen na de oprichting van de artillerie regelmatig veranderingen in de organisatie en structuur plaatsvonden, bleef het in het algemeen de gewoonte om batterijen te vormen van vier vuurmonden. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd dit 'principe' losgelaten. Qua bewapening verschoof het accent naar minder zwaar geschut. 3-, 6- en 12-ponders vormden de hoofdmoot van de bewapening van de Nederlandse artillerie, hetgeen tot in de tweede helft van de 19e eeuw zo zou blijven. Uiteraard was er een veelheid aan ander geschut, zoals de zwaardere (en vaak oudere) 24- en 48-ponders en diverse typen houwitsers. De 3-, 6- en 12-ponders betroffen voorladers met gladde lopen, van ijzer of brons, die in de loop der eeuwen maar weinig veranderden. De belangrijkste verandering was dat het geschut steeds lichter werd. 

In 1815 kreeg het Wapen der Artillerie haar eigen embleem, zoals we dat vandaag de dag nog kennen. Het embleem wordt gevormd door twee gekruiste kanonnen met daarboven de Koninklijke Kroon.

  

De technische ontwikkelingen nemen een vlucht

Artillerieschietkamp Oldebroek, 1905 - Klik om te vergrotenMet name in de 19e eeuw ontwikkelde de artillerie zich in een hoog tempo. Er kwam licht veldgeschut, dat eenvoudiger te bedienen was en gemakkelijker te vervoeren. Daarnaast werden de kennis en vaardigheden van het bedienend personeel drastisch opgevoerd. Er werd een groot terrein midden op de Veluwe bij Oldebroek ingericht als artillerieopleidingscentrum. Sinds 1877 is dit de plek waar de Nederlandse artillerie met hun geschut oefent, ook vandaag de dag nog. Zie ook de pagina over het Artillerie Schietkamp (ASK) & de Legerplaats bij Oldebroek. De technische ontwikkelingen volgden elkaar in de 19e eeuw vlot op: de lontstok werd overbodig door de toepassing van een percussie-inrichting, de gladde lopen verdwenen, het voorlaadgeschut maakte steeds meer plaats voor achterlaadgeschut en eind 19e eeuw deed het stalen geschut zijn intrede in de vorm van achterlaadkanonnen van 15, 12 en 8 cm. Meer info over de verschillende soorten geschut en de ontwikkeling ervan vind je op de pagina Het geschut van de Nederlandse veldartillerie

Ook qua munitie stonden de ontwikkelingen niet stil. Er werden nieuwe, krachtigere springstoffen ontdekt, waardoor de met buskruit gevulde granaten plaats maakten voor granaten met brisante springstoffen, zoals mélitine en TNT. Brisantgranaten, dus. Inzicht in ballistiek en aërodynamica zorgde daarnaast voor meer ovaalvormige, langwerpige projectielen met stabielere kogelbanen, hetgeen het schootsbereik en de precisie van het artilleriegeschut aanzienlijk verbeterden. Meer info over de ontwikkeling van de munitie vind je op de pagina De munitie van de artillerie.

Geschut 7-veld in actie, ca. 1930 - Klik om te vergrotenIn de eerste twee decennia van de 20e eeuw was er nog steeds een scala aan vuurmonden in gebruik in het Nederlandse leger. Naast de bovengenoemde achterladers van 15, 12 en 8 cm, bestond de hoofdmoot van het geschut van de Nederlandse artillerie uit stukken 6-Veld en 7-Veld. Dit veldgeschut werd geproduceerd door het Duitse Krupp en betrof zogenaamde getrokken achterladers, voortbewogen door paarden en later ook vrachtwagens. De 7-Veld was het eerste snelvuurkanon van het Nederlandse leger. De loop was voorzien van een soort slede aan de onderkant, die over een langwerpige stalen kast (de zogenaamde ‘wieg’) heen en weer kon bewegen. Met behulp van een reminrichting in de wieg werd de terugslag afgedempt en middels een vooruitbrenginrichting werd de loop automatisch over de wieg teruggeduwd in de oorspronkelijke stand. Hierdoor was het voor het eerst mogelijk om zonder opnieuw te richten herhaaldelijk op een zelfde doel te vuren, waardoor de vuursnelheid aanzienlijk werd verhoogd. 

  

De wereldoorlogen

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was de Nederlandse artillerie, mede dankzij het moderne snelvuurgeschut 7-veld, prima bewapend. In combinatie met de snelle mobilisatie en de hoge mate van paraatheid van het Nederlandse leger, was dit één van de redenen dat Nederland niet werd aangevallen. Na de oorlog overheerste er echter in Europa een stemming van 'nooit meer oorlog' en vierde het pacifisme hoogtij, met name in Nederland. Samen met de slechte economische situatie leidde dit tot maatregelen als het verkorten van de dienstplicht, een personeelsstop voor kader en het beperken van investeringen in materieel.Geschut 10-veld van de 12 RA, 1940 - Klik om te vergroten Medio jaren '20 bestond de artillerie nog slechts uit 8 schoolregimenten; artillerie op oorlogssterkte moest volledig worden behaald met reservisten. Sterker nog: het gehele Nederlandse leger had in die jaren geen parate onderdelen meer! En ook al waren er in 1927 nog enkele tientallen uitstekend Zweeds 105 mm geschut gekocht, had men geïnvesteerd in de modernisering van de 7-veld en had men in '38-'39 nog 105 mm en 150 mm geschut in Duitsland besteld (uiteraard nooit geleverd), het was een feit dat bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog het Nederlands leger ten strijde trok met grotendeels zwaar verouderd geschut. 

De artillerie was ten tijde van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog georganiseerd in 24 Regimenten Artillerie (1 t/m 24 RA) en 4 separate Afdelingen Artillerie (25 t/m 27 AA). Deze eenheden waren hoofdzakelijk gevormd uit de mobiliseerbare opleidingsregimenten en reserveregimenten. Een regiment bestond toen in de regel uit drie afdelingen (soms minder) van ieder drie batterijen, die op hun beurt weer uit vier vuurmonden bestonden. Tevens waren er 63 'losse' batterijen, die uitgerust waren met de verouderde kanonnen 6-veld en 8 cm staal. Deze waren hoofdzakelijk ingedeeld bij de regimenten infanterie. Een overzicht van de diverse artillerie-eenheden en het geschut tijdens de meidagen van 1940 kun je vinden op de pagina De Nederlandse artillerie tijdens de meidagen van 1940.

  

De veldartillerie van de Brigade 'Prinses Irene' 

Batterij Veldartillerie Prinses Irene Brigade, tijdens een oefening, Engeland, juni 1944 - Klik om te vergrotenNadat het Nederlandse leger in mei 1940 was verslagen, werd het feitelijk ontbonden. Diverse militairen vluchtten naar Engeland, waaronder een aantal artilleristen. In Engeland richtte men de Brigade ‘Prinses Irene’ op, die was bedoeld als Nederlandse bijdrage aan de geallieerde strijdmachten. De brigade werd in mei 1941 gelegerd in Wrottesley Park bij Wolverhampton. De opbouw van de brigade verliep moeizaam en de gewenste slagkracht werd nooit bereikt, met name door het gebrek aan (jong) personeel. Toch zag men kans om op 1 januari 1943 de brigade uit te breiden met een batterij veldartillerie. De batterij telde 92 man en werd naar Brits voorbeeld georganiseerd. Het werd uitgerust met vier 25-ponders. De opleiding van het personeel vond buiten de Prinses Irenebrigade plaats, bij verschillende Britse artillerieregimenten, onder andere in Wales.

In september 1943 werd de batterij weer herenigd met de brigade, die inmiddels in Harwich was gelegerd. De navolgende periode werd er vooral geoefend, waarna de batterij zich voorbereidde op deelname aan de strijd op het vasteland. Op 12 augustus 1944 landde de batterij in Normandië. Al snel kreeg de batterij er twee stukken bij en werd de sterkte opgekrikt naar 130 man. De batterij werd losgemaakt van de brigade en ingedeeld bij Britse en vervolgens Amerikaanse troepen. Gedurende enkele weken verleende de batterij vuursteun aan de snel oprukkende geallieerde troepen, waarna de batterij zich weer bij de brigade voegde en aan de opmars door België deelnam. De batterij werd vervolgens weer ingedeeld bij Britse troepen en nam deel aan de gevechtenStuk van de Batterij Veldartillerie Prinses Irene Brigade, defilé in Den Haag, mei 1945 - Klik om te vergroten bij Hilvarenbeek en Tilburg, die met moeite werden gewonnen. Van half november 1944 tot en met maart 1945 was de batterij op diversie locaties in Zeeland gelegerd, waar het de geallieerde commandoraids ondersteunde. De Bommelerwaard was het laatste stellinggebied van de batterij. Van 22 tot 26 april ondersteunde de eenheid daar op krachtige wijze de geallieerden in hun (uiteindelijk succesvolle) strijd om de Bommelerwaard.

Na negen maanden zat de veldtocht van de batterij erop. Op 13 juli 1945 werd de brigade, en daarmee de batterij, opgeheven. De brigade ontving daarbij van Prins Bernhard het Ridderkruis Militaire Willemsorde 4e Klasse. De meeste artilleristen demobiliseerden en gingen naar huis. Anderen, waaronder het commando van de batterij, gingen meewerken aan de wederopbouw van de artillerie. De Batterij Veldartillerie van de Brigade 'Prinses Irene' kan worden gezien als de basis voor de naoorlogse artillerie.

  

Wederopbouw en de strijd in Nederlands-Indië

17-ponder uit ca. 1945 - Klik om te vergrotenNa de Tweede Wereldoorlog werd de landmacht helemaal opnieuw opgebouwd, naar Brits voorbeeld, hetgeen betekende dat tankbestrijding een taak van de artillerie was. De Britse 88 mm 25-ponder vormde het hoofdgeschut van de artillerie, ook bij het KNIL in het voormalige Nederlands-Indië. De Britse 17-ponder, 76 mm zwaar antitankgeschut, diende bij de artillerie als tankbestrijder. De artillerie was net als voor de oorlog georganiseerd in regimenten. Iedere divisie bevatte drie regimenten veldartillerie, ieder bestaande uit drie afdelingen veldartillerie van elk twee batterijen van 4 vuurmonden. Daarnaast had een divisie de beschikking een regiment luchtdoelartillerie en een regiment antitankartillerie. 

Tijd voor een rustige en gestructureerde vorming van de divisies was er echter niet. In het machtsvacuüm dat na de capitulatie van Japan en het einde van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië was ontstaan, had Indonesië zichzelf onafhankelijk verklaard, en was er een chaotische situatie ontstaan in de Nederlandse kolonie. Na enige tijd werd besloten dat er Nederlandse troepen uitgezonden moesten worden om de rust en de orde te herstellen. In november 1945 werd een aantal lichte infanteriebataljons uitgezonden. Artillerie zou pas later volgen, op advies van kolonel Calmeyer, chef van het Militair Kabinet van de minister van Oorlog. Deze had in december 1945 de militaire situatie in Nederlands-Indië onderzocht en adviseerde een grote zending van hulpwapens ter ondersteuning van de lichte infanteriebataljons, waaronder zes afdelingen veldartillerie. Deze hulpwapens kwamen bekend te staan als de 'Calmeyer-eenheden'. 

Vertrek 4 tm 7 AVA uit de haven van Tjandong Priok, 11-08-1949 - Klik om te vergrotenIn april 1946 werd er met ongeveer 800 oorlogsvrijwilligers (OVW-ers) gestart met de vorming van de zes afdelingen veldartillerie, die later 4 t/m 7 Afdeling Veldartillerie (AVA) werden gedoopt en in juli 1946 op Java arriveerden. Begin 1947 volgden nog 8 en 9 AVA, die in allerijl waren gevormd uit dienstplichtigen. Na aankomst in Nederlands-Indië bleek er onvoldoende geschut beschikbaar. Bovendien waren de beschikbare vuurmonden in slechte staat. Verder was er een tekort aan trekkers en chauffeurs. Zo had 6 AVA aan het eind van 1946 nog steeds geen trekkers ontvangen en toen de afdeling die uiteindelijk kreeg, bleken het er te weinig en waren er onvoldoende chauffeurs, die ook nog eens onvoldoende opgeleid waren. Alhoewel er af en toe artilleristisch werd opgetreden, werd het duidelijk dat er tevens grote behoefte was aan infanteristisch optreden. Noodgedwongen moesten de artilleristen zich bekwamen in infanteristisch optreden.  

Ondertussen was men voortgegaan met de voorgenomen vorming van divisies. In september 1946 werd de 1e Divisie opgericht en uitgezonden en in maart 1947 volgde de 2e Divisie. Beide divisies waren voorzien van drie regimenten artillerie. Bij de 1e Divisie waren dat  2, 6 en 8 Regiment Veldartillerie (RVA) en bij de 2e Divisie waren dat 12, 16 en 18 RVA. Ook deze regimenten kampten na aankomst in Nederlands-Indië met een chronisch tekort aan rij-instructeurs, chauffeurs, monteurs, geschut, transportmiddelen en reserveonderdelen. 12, 16 en 18 RVA ontvingen aanvankelijk zelfs helemaal geen geschut. De militairen van 12 RVA toonden echter groot improvisatievermogen en sprokkelden met moeite een aantal vuurmonden bij elkaar. 16 en 18 RVA hebben uiteindelijk nooit de beschikking over vuurmonden gehad. Op een bepaald moment werd dit ook niet meer nodig geacht, gezien het karakter van de strijd.

Beëdiging officieren 41 RVA - Klik om te vergrotenEind juli 1947 barstte de Eerste Politionele Actie los en kwam de artillerie voor het eerst volledig in actie. De navolgende periode stond in het teken van het zuiveren van de veroverde gebieden, hetgeen in een guerrilla-achtige strijd ontaarde. Het verblijf in Nederlands-Indië ging langer duren dan verwacht, waardoor men kreeg te kampen met een grote toename van het aantal zieken en afgekeurden en dus met een sterk teruglopende sterkte. Om over de toestand van het materieel maar te zwijgen. Toch slaagde de Nederlandse troepen er eind 1948 in om tijdens de Tweede Politionele Actie de gebieden te veroveren die tijdens de Eerste Politionele Actie niet waren veroverd en de Republikeinse regering gevangen te nemen. Ook tijdens deze actie kwam nagenoeg de volledige artillerie in actie en net als na de Eerste Politionele Actie, volgde een periode van felle guerrillastrijd, waarbij de artillerie zeer regelmatig in actie moest komen. Inmiddels waren 41, 42 en 43 RVA gearriveerd ter aflossing c.q. versterking, maar uitgezonderd 41 RVA zijn deze regimenten nauwelijks artilleristisch ingezet geweest. In mei 1949 resulteerden hervatte onderhandelingen er onder internationale druk in dat de Nederlandse troepen zich terug moesten trekken en dat Indonesië onafhankelijk mocht worden. De strijd zat erop. Vanaf augustus 1949 keerden de afdelingen en regimenten terug naar Nederland en werden ze ontbonden. Op 27 december 1949 werd Indonesië formeel onafhankelijk.

  

Amerikaans geschut neemt de overhand

Ondertussen was de Koude Oorlog losgebarsten. Zie ook de pagina over de Koude OorlogDe West-Europese landen en de Verenigde Staten waren zeer bezorgd over het geweldige conventionele overwicht (tanks, artillerie en troepen) van de Sovjet Unie in Europa en over de toenemende invloed van communistische partijen in een aantal West-Europese landen. Om op militair gebied tegenwicht te bieden, werd in 1949 de Noord Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO) opgericht door de Verenigde Staten, Canada en tien Europese landen, waaronder Nederland. De belangrijkste taak van de NAVO was (en is) de  verdediging van het grondgebied van de lidstaten. Met de Verenigde Staten als belangrijkste bondgenoot en leverancier van materieel, schakelde de Nederlandse landmacht in 1950 over op het Amerikaanse model, waarmee de tankbestrijding (en dus de 17-ponder) naar de infanterie verhuisde. Het indelen van artillerie in regimenten (met daarbinnen relatief kleine afdelingen en batterijen) werd losgelaten en men schakelde over naar grotere afdelingen die direct onder een brigade werden ondergebracht.

De eerste versie van de M109, de M109 S met korte loop - Klik om te vergrotenTerwijl de Nederlandse artillerie in de periode tussen de twee wereldoorlogen steeds meer achterop raakte, werd er elders in de wereld volop gewerkt aan verdere ontwikkeling van het artilleriegeschut. Zo experimenteerde men in Duitsland en Engeland bijvoorbeeld met gemechaniseerd geschut door o.a. antitankkanonnen op (half)rupsen te plaatsen. Het waren echter de Verenigde Staten die sinds de jaren '20 het uitbundigst op allerlei manieren experimenteerden met artilleriegeschut. Reeds in de jaren '20 had men daar een prototype van een gemechaniseerd 155 mm kanon. Veel vuurmonden die na de Tweede Wereldoorlog uiterst succesvol bleken binnen de NAVO-arsenalen (en ook daarbuiten) hebben hun oorsprong in de experimenteerdrift en ontwikkeldrang in de Verenigde Staten in de jaren '20. Een willekeurig voorbeeld hiervan is de 105 mm houwitser M101. In 1920 in eerste instantie in productie genomen als de 105 mm M1920, volgden steeds verbeterde versies, met als voorlopig 'definitief' resultaat de 105 mm M2 in de jaren '40, die later werd omgedoopt tot M101. De M101 bleek een één van de vele 'voltreffers' van Amerikaanse makelij en is zelfs heden ten dage nog in gebruik bij enkele legers. Na de oorlog deed de M101 zijn intrede in Nederland en vormde deze vuurmond een onderdeel van de bewapening tot eind jaren '80.

Honest John op 6x6 5-tonner - Klik om te vergrotenNa de Tweede Wereldoorlog werd ook ander getrokken geschut van Amerikaanse makelij ingevoerd in Nederland, zoals de 155 mm houwitsers M59 en M114 en de 203 mm houwitser M115. De entree van dit Amerikaanse geschut in Nederland vond plaats in het kader van het naoorlogse MDAP, het Mutual Defense Asistance Program. Het belangrijkste geschut van de artillerie was toen echter nog de Britse getrokken 88 mm 25-ponder.

In het kader van het MDAP kreeg Nederland in 1959 ook de beschikking over de Honest John, een niet-geleide raket van Amerikaanse makelij, die vanaf een 5-tonner kon worden gelanceerd. Vanwege zijn mobiliteit, reikwijdte en inzetbaarheid was de Honest John uitermate geschikt voor het leveren van vuursteun voor het front en werd dan ook ingedeeld bij de veldartillerie. De Honest John luidde een periode van gebruik van raketartillerie bij het Nederlandse leger in, die pas vrij recentelijk werd afgesloten. Toen de Honest John in 1962 werd voorzien van kernkoppen, was het één van de eerste nucleaire wapens in Nederland. Alleen de in 1961 aangeschafte nucleaire houwitsergranaten gingen de nucleaire Honest John voor. Meer info over de geschiedenis van de raketartillerie in Nederland en de verschillende raketsystemen, vind je op de pagina Raketartillerie in het Nederlandse leger.

  

Legering van troepen in Duitsland

In september 1961 besloot de NAVO troepen op de Noord-Duitse laagvlakte geplaatst moesten worden i.v.m. de toenemende dreiging vanuit het Oostblok. Dit betekende dat Nederland daar ook een bijdrage aan moest leveren. Er werd besloten om de pas opgerichte 121e Lichte Brigade voor minimaal drie maanden naar West-Duitsland te sturen. Tevens werd er nagedacht over permanente legering van de ongeveer 3500 man in West-Duitsland, om de tegenstander uit het Oosten in het geval van een conflict beter te kunnen weerstaan. In eerste instantie kwam de 121e Lichte Brigade tijdelijk terecht in Höhne en Fallingbostel. Toen West-Duitsland begin 1962 echter een kazerneruil met AMX-PRA bij de 43 Afdva, 1974 - Klik om te vergrotengesloten beurzen voorstelde, werd permanente legering van de brigade in West-Duitsland een feit. Nederland stelde de legerplaats Budel in Noord-Brabant beschikbaar voor een Duitse opleidingseenheid, die zonder bezwaar diep in het NAVO achtergebied kon worden geplaatst. De Duitsers stelden legerplaats Seedorf beschikbaar. Ondertussen had Nederland het plan opgevat om de 121e Lichte Brigade te vervangen door een versterkte pantserbrigade van eveneens 3500 man. De Lichte Brigade werd dus opgeheven en eind 1963 was de volledige stationering van de nieuw opgerichte 41e Pantserbrigade in Seedorf een feit. De brigade werd in de loop der jaren steeds verder uitgebreid en zo werd besloten om ook de 41e Afdeling Veldartillerie aan de 41e Pantserbrigade in Seedorf toe te voegen. De 41e Pantserbrigade groeide met deze uitbreidingen uit tot de zwaarste en meest parate brigade van de Koninklijke Landmacht. De 41e Afdeling Veldartillerie werd één van de belangrijkste artillerie-eenheden binnen de landmacht. De Lüneburgerheide nabij Munster in Duitsland groeide uit tot een veelgebruikt oefenterrein voor de Nederlandse artillerie en ook de in Nederland gelegerde afdelingen trokken regelmatig naar Duitsland om daar schietseries te houden.

  

Reorganisaties

Een M109A2/90 uit '90 op de hei, 2002 - Klik om te vergrotenHet einde van de Koude Oorlog, eind jaren ’80, had grote gevolgen voor de landmacht. De landmacht werd drastisch hervormd en ingekrompen en de dienstplicht werd opgeschort. Voor de artillerie betekende dit dat er begin jaren '90 afdelingen werden opgeheven en dat de resterende afdelingen werden verkleind naar twee batterijen. Ook werd de Legerkorpsartillerie (LKA) opgeheven. In de nieuwe organisatie bleven er drie gemechaniseerde brigades over, die direct onder het Operationeel Commando (het orgaan dat samen met de Landmachtstaf de landmacht aanstuurt) vielen. De Nederlandse artillerie werd hiermee teruggebracht naar drie afdelingen, nog steeds uitgerust met de gemechaniseerde houwitser M109 en één ‘losse’ batterij veldartillerie, uitgerust met het gemechaniseerd raketsysteem MLRS. 

In 2003 werd er opnieuw een reorganisatie van de Koninklijke Landmacht aangekondigd. Aan de ene kant werd deze reorganisatie ingegeven door het streven naar een kleinere, modernere en slagvaardigere landmacht (in dit kader werd ook besloten de moderne gemechaniseerde 155 mm houwitser PzH 2000 bij de Nederlandse artillerie in te voeren, vanaf 2006). Aan de andere kant was er ook de simpele financiële motivatie: het moest allemaal goedkoper. De bezuinigingen zorgden voor verdere inkrimping van de landmacht en dus ook van de artillerie: er werd afscheid genomen van de raketartillerie door de batterij MLRS in 2004 op te heffen en in 2005 werd begonnen met het stapsgewijs opheffen van de 41e Gemechaniseerde Brigade. Als eerste onderdeel van de brigade werd de 41e Afdeling Veldartillerie op 1 juli 2005 opgeheven. Was tussen de jaren ’60 en ’80 een aantal van 15 á 20 parate afdelingen veldartillerie nog heel gebruikelijk (samen goed voor 200-300 gemechaniseerde vuurmonden), tegenwoordig moet de Nederlandse artillerie het doen met slechts twee parate afdelingen (samen goed voor 18 vuurmonden; hieronder meer hierover).

  

Verdere modernisering en inkrimping

Na de opheffing van de 41e Afdeling Veldartillerie bestond de Nederlandse artillerie uit slechts vier eenheden: de 14e Afdeling Veldartillerie, de 11e Afdeling Rijdende Artillerie, de 101e Artillerie Ondersteuningsbatterij en de 101e Remotely Piloted Vehicle (RPV) Batterij. De laatste twee waren niet schietende onderdelen. Het streven naar een kleinere, modernere en slagvaardigere landmacht, waarbij de artillerie aan de eisen van het moderne gevechtsveld moet voldoen (een groter schootsbereik, grotere precisie en het vermogen om snel en eenvoudig van stelling te veranderen), betekende ook qua materieel de nodige veranderingen. Zo werd de M109, gedurende bijna vier decennia het belangrijkste geschut van de Nederlandse artillerie, vervangen door de moderne gemechaniseerde 155 mm houwitser PzH 2000. Deze houwitser wordt gekenmerkt door een verdere dracht, betere bepantsering en betere terreinvaardigheid. Daarnaast kan de PzH 2000 vuursnelheden behalen van 10 schoten per minuut, mede door het geautomatiseerde laden van de granaten. In 2006 is de 14e Afdeling Veldartillerie als eerste afdeling voorzien van de PzH 2000. Drie stukken PzH 2000 zijn dat jaar meegegaan op uitzending naar Uruzgan, Afghanistan. Gedurende 2007 schakelde de 11e Afdeling Rijdende Artillerie over op de PzH 2000. De bedoeling was dat beide afdelingen ieder 18 stuks PzH 2000 ter beschikking zouden krijgen, maar nog voordat de invoering van de nieuwe vuurmond bij de 11e Afdeling Rijdende Artillerie was voltooid, werd n.a.v. de kabinetsplannen van medio 2007 ingekrompen naar 12 stuks PzH 2000 per afdeling. Hiermee kwam wel heel weinig terecht van de de oorspronkelijk geplande (en bestelde!) 54 stuks PzH2000, in te voeren bij 14 Afdva, 41 Afdva en 11 Afdra. 

PzH2000NL tijdens beschietingen in Uruzgan, Afghanistan, juni 2007 - Klik om te vergrotenBegin 2007 werd de lange dracht brisantgranaat RH40 DM131 ingevoerd, met een maximale dracht van 40 km, alsmede de modulaire lading DM92. Op de pagina De munitie van de artillerie kun je hier meer over lezen. De nieuwe munitie is vervolgens in gebruik genomen bij de Nederlandse troepen in Afghanistan en is daar daadwerkelijk ingezet tijdens diverse beschietingen.  

April 2011 werden opnieuw ingrijpende bezuinigingen bij Defensie aangekondigd, met grote gevolgen voor de artillerie. Doelstelling: inkrimpen naar een totaal van 18 pantserhouwitsers, samen met de 120 mm mortieren van het Korps Mariniers en de Luchtmobiele Brigade, ondergebracht in één afdeling, het zgn. Commando Grondgebonden Vuursteun. Om deze doelstelling te bereiken werd begonnen met o.a. het opheffen van de 101e Artillerie Ondersteuningsbatterij en het stilleggen van één van de vuurmondbatterijen van 11e Afdeling Rijdende Artillerie. De samenwerking tussen 11 Afdra en 14 Afdva werd vervolgens geïntensiveerd en begin 2012 werden de staven van 14 Afdva en 11 Afdra samengevoegd. De verwachting is dat de transitie naar één Commando Grondgebonden Vuursteun eind 2012 afgerond zal zijn.
  

Media: 
Klik om te downloaden De Nederlandse veldartillerie: geschiedenis, materieel & tradities 
Klik om te openen Foto's: de Nederlandse veldartillerie in de aanloop naar, tijdens de Tweede Wereldoorlog, 1938-1940
Klik om te openen Foto's: vaandeluitreiking aan het Wapen der Artillerie, Legerplaats bij Oldebroek, 24 september 2002
Klik om te openen Foto's: Nederlands geschut van 1400 tot 1900
Klik om te openen Foto's: demonstratie artillerie tijdens herdenking Operatie Market Garden, Ginkelse Heide, 19 september 2009
Klik om te openen Filmpje: de Nederlands veldartillerie van 1860 tot heden
Klik om te downloaden Filmpje: défilé en demonstraties artillerie, Leger- en vlootdag, Rotterdam, 12 juni 1936
Klik om te downloaden Filmpje: herdenking III 14 RA, Dubbeldam, 12 mei 2007
Klik om te downloaden Filmpje: beschietingen door Nederlandse PzH2000's, Afghanistan, 15 juni 2007 (bron: RTL Nieuws) 

Naar de homepage van 41 AfdVa C-bt 87-1/2Home