In het machtsvacuüm dat na de capitulatie van Japan en het einde van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië was ontstaan, had Indonesië zichzelf onafhankelijk verklaard, en was er een chaotische situatie ontstaan in de Nederlandse kolonie. In november 1945 werd een aantal Nederlandse infanteriebataljons uitgezonden om de rust en de orde te herstellen. Artillerie zou pas later volgen, op advies van kolonel Calmeyer, chef van het Militair Kabinet van de minister van Oorlog. Deze had in december 1945 de militaire situatie in Nederlands-Indië onderzocht en adviseerde een grote zending van hulpwapens ter ondersteuning van de lichte infanteriebataljons, waaronder zes afdelingen veldartillerie. Deze hulpwapens kwamen bekend te staan als de 'Calmeyer-eenheden'. In 1946 werden reeds de 4 t/m 7 Afdeling Veldartillerie (AVA) opgericht en uitgezonden naar Nederlands-Indië. Nog datzelfde jaar werden de overige twee afdelingen opgericht: 8 en 9 AVA. Op 20 februari 1947 vertrokken beide afdelingen met troepentransportschip "Kota Inten" naar Nederlands-Indïe. De afdelingen bestonden uit de P- en Q-batterij, respectievelijk de R- en S-batterij. De A- t/m O-batterij bestonden reeds en behoorden (twee aan twee) tot A I t/m III Veld en 4 t/m 7 AVA.
Deze afdelingen bestonden uit dienstplichtigen van de lichtingen 1945 en 1946 met kader bestaande uit OVW-ers. Hun opleiding begon in september 1946, op een moment dat 4 t/m 7 AVA reeds voet aan wal hadden gezet op Java. Net als 4 t/m 7 AVA gingen de afdelingen eerst naar Aldershot in Engeland, waar zij tropenkleding kregen uitgereikt, vaccinaties ontvingen en verder werden geïnstrueerd. Eind maart 1947 arriveerden de afdelingen in Nederlands-Indië.
8 AVA werd ingedeeld bij de Y-Brigade en het Territoriaal Troepencommando te Zuid-Sumatra. Commandant van de afdeling was majoor Sluyterman van Loo. De eenheid werd volledig uitgerust met Engels materieel en kreeg na een periode zonder geschut, de beschikking over een aantal 25-ponders, waar nauwelijks gebruik van is gemaakt. Het onderdeel had Palembang als operatiegebied en is daar met name op infanteristisch vlak ingezet geweest.
In 1948 leek er een einde te komen aan de inzet in Nederlands-Indië. De onderhandelingen tussen Nederland en de Republiek resulteerden in een akkoord over de erkenning van de Republiek, maar de navolgende besprekingen over de invulling van de staatskundige structuur en de status van Indonesië liepen vast. De republikeinse troepen werden weer actief en de plannen voor demobilisatie van de Nederlandse troepen verdwenen in de ijskast. Demotivatie en oververmoeidheid waren het gevolg. Net als de overige eenheden kreeg 8 AVA te kampen met een grote toename van het aantal zieken en afgekeurden en dus met een sterk teruglopende sterkte. Om over de toestand van het materieel maar te zwijgen. In mei 1949 resulteerden hervatte onderhandelingen er onder internationale druk in dat de Nederlandse troepen zich terug moesten trekken. De verdreven republikeinse regering mocht terugkeren en er werd een conferentie belegd waarin de onafhankelijkheid van Indonesië zou worden geregeld. Op 27 december 1949 werd Indonesië formeel onafhankelijk. Op 28 januari 1950 keerden 8 en 9 AVA met de "Zuiderkruis" terug naar Nederland.