| Oprichting: | 1946-04-01 |
| Opheffing: | 1949-08-11 |
| Gelegerd te: | Oldebroek, Padang, Fort de Kock |
| Geschut: | 25-ponder |
In het machtsvacuüm dat na de capitulatie van Japan en het einde van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië was ontstaan, had Indonesië zichzelf onafhankelijk verklaard, en was er een chaotische situatie ontstaan in de Nederlandse kolonie. In november 1945 werd een aantal Nederlandse infanteriebataljons uitgezonden om de rust en de orde te herstellen. Artillerie zou pas later volgen, op advies van kolonel Calmeyer, chef van het Militair Kabinet van de minister van Oorlog. Deze had in december 1945 de militaire situatie in Nederlands-Indië onderzocht en adviseerde een grote zending van hulpwapens ter ondersteuning van de lichte infanteriebataljons, waaronder zes afdelingen veldartillerie. Deze hulpwapens kwamen bekend te staan als de 'Calmeyer-eenheden'. Op 1 april 1946 werd met ongeveer 800 oorlogsvrijwilligers (OVW-ers) gestart met de vorming van de zes afdelingen veldartillerie. Op die dag werden op de Legerplaats bij Oldebroek acht batterijen veldartillerie opgericht, die werden aangeduid als 1 t/m 8 Batterij Veldartillerie (BtVA) en die later zouden worden omgevormd tot vier afdelingen veldartillerie door de batterijen twee aan twee samen te voegen tot respectievelijk 4 t/m 7 Afdeling Veldartillerie (AVA). De eerste tot en met derde afdeling bestonden namelijk al, deze behoorden tot het KNIL (A I t/m A III Veld). Eind 1946 vond nog de oprichting plaats van 8 AVA en 9 AVA, die grotendeels uit dienstplichtigen bestonden.
Na de omnummering werden 1 t/m 8 BtVa met letters aangeduid. De A- t/m F-batterij behoorden (respectievelijk twee aan twee) tot de genoemde KNIL-afdelingen, de G- t/m O-batterij behoorden (twee aan twee) tot 4 t/m 7 Afdeling Veldartillerie.
|