Muziek bij het Wapen der Artillerie
Deze pagina besteedt aandacht aan de muziekbeoefening en -traditie bij de Nederlandse artillerie, van de vroege militaire muziek tot aan het Reünie Orkest Artillerie heden ten dage.
|
|
In den beginne... |
Het gebruik van muziekinstrumenten in het leger is van alle tijden. De Romeinen
gebruikten reeds een soort hoorn als signaalinstrument en in de middeleeuwen
werden bazuinen gebruikt bij riddergevechten. Bij gebrek aan
moderne communicatiemiddelen zoals de telefoon of radio, werden in vroeger
tijden instrumenten gebruikt om boodschappen over
grotere afstanden door te geven. Op het slagveld werden mondeling afgegeven
commando's middels een muzieksignaal doorgegeven aan
de troepen en in garnizoen
klonken muzieksignalen om bijvoorbeeld een appél aan te kondigen. De Nederlandse militaire muziek is eigenlijk pas ontstaan in
de tweede helft van de 16e eeuw, toen het leger werd voorzien van trommen, pijperfluiten, trompetten en pauken.
Bij de artillerie en de cavalerie werden
vooral trompetters ingezet.
Van echte
muzikanten, in de zin van bespelers van 'geavanceerde' muziekinstrumenten, was
pas vanaf de 17e eeuw sprake.
|
|
Tamboerkorpsen |
Zoals gezegd, werden bij de artillerie van oudsher trompetters
ingezet. Aanvankelijk te voet en
later te paard. Vaak waren de trompetters verenigd in een trompetterkorps, dat
bij het uitrukken aan het hoofd van de colonne reed. Met de komst van de
telefoon en de radio in het begin van de 20e eeuw verloren de
trompetters hun militaire functie en waren ze strikt genomen niet meer nodig. Ze
bleven om redenen van traditie echter gehandhaafd en zo bleef het tot in de meidagen van
1940 bijvoorbeeld de gewoonte om signalen op de kazerne te blazen. De
ceremoniële en entertainende taken van de trompetters stelden gedurende deze
periode niet veel voor. Na de Eerste Wereldoorlog werden wegens hevige
bezuinigingen namelijk veel militaire muziekkorpsen opgeheven en het Wapen der
Artillerie had in deze periode geen eigen muziekkorps. Omdat de taak van de militaire muzikant
inmiddels minder belangrijk was
geworden, daalde ook zijn militaire status. En dus zijn rang.
Toen na de Tweede Wereldoorlog de landmacht opnieuw werd opgebouwd, kregen muzikanten
niet direct een plek in de nieuwe organisatie. Her en der te lande ontstonden
echter muziekgezelschappen die op eigen initiatief en met eigen middelen
musiceerden, zo ook bij de artillerie. Het ging hier niet altijd om trompetters, maar ook om drumbands,
ook wel tamboerkorpsen genoemd. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog waren
drumbands sowieso een populair fenomeen, dus was het logisch dat dat ook zijn
afspiegeling in het leger had. In de jaren '50 groeide het aantal muziekgezelschappen in het Nederlandse leger tot bijna 50 stuks.
Binnen het Wapen der Artillerie waren er in de jaren '50 bij alle regimenten veldartillerie drumbands actief. Daarnaast waren bij de Artillerieschool te Breda en het Artilleriemeetregiment te Kampen drumbands aanwezig. De bands bestonden uit een mix van beroeps- en dienstplichtig personeel, zowel kader als niet-kader. Net als alle andere muziekgezelschappen in die tijd hadden deze korpsen geen officiële status.
|
|
Het Artillerielied |
In
1955 werd de Artillerie Commissie in het leven geroepen. Deze commissie was in
het leven geroepen om gedragregels en gebruiken bij het Wapen der Artillerie te
formuleren. Eén van de eerste daden van de commissie was de uitvaardiging dat
het lied van de veldartillerie voortaan het Artillerielied zou worden genoemd en
het officiële lied van het
Wapen der Artillerie zou zijn. Het van oorsprong Franse lied was reeds sinds de
vertaling naar het Nederlands in 1881 bekend binnen de Nederlandse artillerie,
onder andere als 'Het Lied van de Veldartillerie' en 'Onze Veld'. Ondanks dat
het lied het meest betrekking had op de veldartillerie, werd toch besloten het
tot het officiële lied van het gehele Wapen der Artillerie te bombarderen. De
redenatie was dat het inmiddels ook niet meer geheel van toepassing was op de
veldartillerie en dat dat dus geen reden kon zijn om het niet voor de overige
onderdelen van het Wapen der Artillerie te laten gelden, ook al had het op die
onderdelen nog minder betrekking. De commissie legde tevens een aantal reeds
bestaande gebruiken omtrent het zingen van het Artillerielied vast. Eén van die
oude gebruiken was dat het vijfde couplet alleen mocht worden gezongen na
toestemming van de oudst aanwezige artillerist. Het zingen van het lied viel
overigens niet altijd mee, want pas beëdigde officieren 'zakten' regelmatig
voor het zingen van het lied, wat hen niet in dank werd afgenomen. Zie verder de
pagina over het Artillerielied.
|
|
Het Trompetterkorps der Artillerie |
In 1957 werd besloten om
serieus werk te maken van de muziekbeoefening en
-beleving binnen het Wapen der Artillerie. De Inspecteur der
Artillerie installeerde het comité Muziek Artillerie, dat als doel had om geld
in te zamelen voor ceremoniële uniformen en instrumenten voor de oprichting van
twee trompetterkorpsen: één voor de veldartillerie en één voor de
luchtdoelartillerie. De plannen bleken echter
te ambitieus en er werd besloten om één korps op te richten voor het gehele
Wapen der Artillerie. Onder leiding van wachtmeester J.M. van Ommeren werden de
in Breda actieve tamboerkorpsen samengevoegd tot één korps: het
Trompetterkorps der Artillerie. Op 12 maart 1960 kreeg dit korps bij ministeriële
beschikking een officiële status. Het kreeg een plek binnen de organisatie van
het Wapen der Artillerie en werd ingedeeld bij de Artillerieschool te Breda. De
bezetting van het Trompetterkorps was naar Frans voorbeeld samengesteld en
bestond uit 14 trompetten in Es, 1 contrabastrompet, 4 alttrompetten in Es, 2
tenortrommen, 3 bastrompetten in Es en 1 stel pauken. Het korps bestond uit
dienstplichtigen onder leiding van een beroepsonderofficier met de rang van
wachtmeestertrompetter. In 1960 was dat wachtmeester A. Kleinepier. Op 11
augustus 1960 droeg het comité Muziek Artillerie officieel de instrumenten en
de ceremoniële tenues over aan de Minister van Defensie, ir. S.H. Visser,
waarbij het Trompetterkorps in de nieuwe uniformen optrad.
In 1961 werd in eigen beheer een single opgenomen en uitgegeven; de eerste uitgave
van het Trompetterkorps van een muziekdrager. Alhoewel op het hoesje de naam van
het Trompetterkorps der Artillerie prijkt, bevat de A-kant van de single geen
opname van het korps, maar een uitvoering van het Lied der Artillerie door een
mannenkoor. De B-kant is wel ingeruimd voor het korps onder leiding van
wachtmeester Kleinepier.
Het comité Muziek Artillerie bleef vervolgens proberen gelden bijeen te brengen en
slaagde er eind 1963 in om een volledig fanfare-instrumentarium aan te kopen.
Het korps kon hiermee worden uitgebreid naar een volledig fanfarekorps. Alhoewel
het korps hiermee strikt genomen geen Trompetterkorps meer was, werd de naam
gehandhaafd uit oogpunt van traditie. Het korps werd bemand met dienstplichtige
militairen. Om redenen van continuïteit, werd het geheel geleid door een
beroeps kapelmeester en twee medewerkers, eveneens beroeps. De grootste
uitdaging voor het korps was het handhaven van een hoog muzikaal niveau, ondanks
de steeds roulerende bezetting van dienstplichtigen. Hier slaagde men wonderwel
in, getuige vele optredens in binnen- en buitenland.
Het
korps heette inmiddels Trompetterkorps toen het in 1967 door
bezuinigingen werd getroffen en voor onbepaalde tijd op non-actief werd gesteld.
Lang duurde deze situatie niet, want het wegvallen van het Trompetterkorps
leidde tot veel weerstand. Reeds in 1968 werd het korps nieuw leven ingeblazen.
Het werd ingedeeld bij de Legerkorpsartillerie, had Legerplaats 't Harde als
standplaats en bestond uit kanonniers met een eenvoudige artilleriefunctie bij
de parate afdelingen in 't Harde of daar vlakbij. De kanonniers combineerden hun
muzikantenfunctie met de oorlogsfunctie en zodoende namen de muzikanten af en
toe deel aan oefeningen van de eigen eenheid. Wegens ruimtegebrek in de
Legerplaats 't Harde verhuisde het trompetterkorps in 1974 naar Harderwijk, waar
het bij de 102e Veldartilleriegroep werd ondergebracht.
In
1977 werd de stichting Vrienden van het Artillerie Trompetterkorps opgericht ter
ondersteuning van het Trompetterkorps, zowel in financieel als praktisch
opzicht. Er werd gespaard voor nieuwe instrumenten en zo kocht de stichting
bijvoorbeeld een drumstel, waardoor in kleine bezetting kon worden opgetreden.
|
|
Opnieuw verhuizingen en bezuinigingen |
In
1985 verhuisde het Artillerie
Trompetterkorps naar Kamp Stroe en werd het weer ingedeeld bij de
Legerkorpsartillerie. Een voormalig militair tehuis werd de nieuwe oefenruimte
en was een dermate luxe faciliteit, dat andere korpsen daar jaloers op waren. De
navolgende jaren bleef het korps uitstekend presteren. Er werd veel opgetreden,
soms meer dan honderd keer per jaar. Het korps trad regelmatig zeer succesvol op
in het buitenland en was veelvuldig te gast op de taptoes van Arnhem, Delft en
Breda.
Begin
jaren '90 kreeg het korps het moeilijk. Door het opschorten van de dienstplicht
moest er een oplossing worden gevonden voor het instandhouden van het korps.
Wederom dreigde opheffing, maar een oplossing werd gevonden in een fusie met het
Trompetterkorps der Cavalerie. Het Artillerie Trompetterkorps werd op 30
september 1995 officieel ontbonden, waarna het samen met het Trompetterkorps der
Cavalerie verder ging als het Trompetterkorps der Bereden Wapens.
De
standplaats van het nieuwe Trompetterkorps der Bereden Wapens werd de
Bernhardkazerne te Amersfoort. Het werd onder bevel gesteld van de Nationale
Commandant. Ook het nieuwe korps had een fanfarebezetting en bestond uit 42
muzikanten, voornamelijk militairen met een kort contract. De muzikale leiding
over het korps berustte bij een dirigent en voor het overige bij een commandant,
beiden met de rang van kapitein. Het trompetterkorps beschikte over twee sets
uniformen, zodat er zowel in cavalerie- als in artillerietenue kon worden
opgetreden. De stichting Vrienden van het Artillerie Trompetterkorps werd in
1997 omgedoopt tot Vrienden van het Trompetterkorps Bereden Wapens en het
stichtingsbestuur werd uitgebreid met een aantal cavaleristen.
Medio
2004 werd vanwege bezuinigingen besloten om het aantal orkesten binnen de
Koninklijke Landmacht terug te brengen naar drie: een harmonieorkest, een
fanfareorkest en een drumfanfare. Dit had tot gevolg dat het Trompetterkorps
Bereden Wapens op 1 januari 2005 werd opgeheven en opging in het nieuwe
Fanfarekorps Koninklijke Landmacht Bereden Wapens. De 40 muzikanten van het
korps waren afkomstig van het Trompetterkorps Bereden Wapens, de Koninklijke
Militaire Kapel, de Johan Willem Friso Kapel en het Fanfarekorps Koninklijke
Landmacht. De thuisbasis werd de Van Brederodekazerne te Vught. Het korps verzorgt
sindsdien optredens bij binnen- en buitenlandse defensieaangelegenheden. Zo werd
er op 1 juli 2005 opgetreden bij de opheffing van de 41e Afdeling
Veldartillerie op de Legerplaats bij Oldebroek.
|
|
Het Reünie Orkest Artillerie |
Met de opheffing van het Artillerie Trompetterkorps in 1995 had de artillerie
geen 'eigen' muziekkorps meer. Dit werd door sommige (oud-)artilleristen als een
gemis ervaren. De geschiedenis leert echter dat artilleristen geen artilleristen
zouden zijn als hier niet iets op werd gevonden. De basis voor 'de oplossing'
werd in mei 2001 gelegd toen twee oud-dienstplichtige leden van het
Artillerie Trompetterkorps een reünie organiseerden voor de lichtingen 1976 t/m
1978. Luitenant-kolonel F. Dürst Britt was op dat moment bezig met de
organisatie van een feest ter ere van het 325-jarig bestaan van het Wapen
der Artillerie en kreeg notie van de reünieplannen. Het idee van de reünie
inspireerde hem tot het plan om een permanent reünieorkest voor de Artillerie
op te richten, net zoals die er bij een aantal andere wapens binnen de landmacht
reeds waren. En zo geschiedde: vanaf november 2001 werd de draad van het Artillerie
Trompetterkorps weer opgepikt door het Reünieorkest Artillerie (ROA).
Begin 2005 nam het voormalig bestuur van de opgeheven stichting Vrienden van het
Trompetterkorps Bereden Wapens het initiatief tot oprichting van de stichting
Vrienden van het Reünieorkest Artillerie en vormde het dagelijks bestuur ervan.
Geen orkest zonder 'vrienden', leert de historie, tot eind 2007 werd ingezien
dat aparte stichtingen voor de 'vrienden' en voor het ROA zelf weinig toevoegt
en de 'vrienden'-stichting opging in de ROA-stichting. Het orkest zelf bestaat
uiteraard voornamelijk uit muzikanten van het voormalige Artillerie Trompetterkorps en treedt
op in binnen- en buitenland. Op dit moment bestaat het
ROA uit ongeveer 60 muzikanten, die in wisselende samenstelling optreden. Het
orkest repeteert op de Tonnetkazerne in 't Harde. Er wordt regelmatig
opgetreden, onder andere tijdens taptoes, reünies en defilés. Zo was het orkest
te zien
tijdens de reünie van de 41e Afdeling Veldartillerie te Seedorf (Duitsland) in juni 2005,
in de Portobello Townhall te Edinburgh (Schotland) in augustus 2006 en tijdens
de streetparade van de Netherlands Military Tattoo te Rotterdam in september
2008. Verder wordt er sinds 2006 regelmatig deelgenomen aan het defilé tijdens de
jaarlijkse Veteranendag in juni te Den Haag.
|
|
Discografie Artillerie Trompetterkorps & Reünie Orkest Artillerie |
|
Alle titels zijn uitgegeven in eigen beheer.